MKB Marktplaats
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties samen te voegen tot n wet, gericht op het voorkomen van het gebruik van het financile stelsel voor het witwassen van geld en het financieren van terrorisme;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
| 1. | In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
|
| 2. | Deze wet is niet van toepassing op belastingadviseurs als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 11, en de personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 12 en 13, voor zover zij voor een clint werkzaamheden verrichten betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding. |
Artikel 2
| 1. | Een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, 2, 3, 5, 6, 7 of 8, die een bijkantoor of een dochtermaatschappij heeft in een staat die geen lidstaat is, draagt er zorg voor dat het bijkantoor onderscheidenlijk de dochtermaatschappij clintenonderzoek verricht dat gelijkwaardig is aan dat, geregeld in artikel 3, eerste tot en met het vierde lid, en gegevens met betrekking tot het clintenonderzoek vastlegt en bewaart op een wijze die gelijkwaardig is aan hetgeen is geregeld in artikel 33. |
| 2. | Indien het recht van de betrokken staat toepassing van het eerste lid niet toelaat, stelt de instelling degene die ingevolge artikel 24 belast is met het toezicht op de naleving van deze wet door de instelling daarvan in kennis en neemt zij maatregelen om het risico van witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen. |
Hoofdstuk 2. Bepalingen betreffende clintenonderzoek
2.1. Clintenonderzoek
Artikel 3
| 1. | Een instelling verricht ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme clintenonderzoek. |
| 2. | Het clintenonderzoek stelt de instelling in staat om:
|
| 3. | Een instelling verricht het clintenonderzoek in de volgende gevallen:
|
| 4. | Een instelling kan het clintenonderzoek afstemmen op de risicogevoeligheid voor witwassen of financiering van terrorisme van het type clint, zakelijke relatie, product of transactie. |
| 5. | Het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op trustkantoren als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 10. |
| 6. | Bij ministerile regeling kan vrijstelling worden geregeld van het in het eerste of tweede lid bepaalde. |
| 7. | Onze Minister van Financin kan, op verzoek van een instelling, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van het eerste of tweede lid. Aan een vrijstelling en ontheffing kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. |
Artikel 4
| 1. | Een instelling voldoet aan artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b, voordat de zakelijke relatie wordt aangegaan of een incidentele transactie als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, wordt uitgevoerd. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid is het een instelling toegestaan de identiteit van de clint en, indien van toepassing, de identiteit van de uiteindelijk belanghebbende te verifiren tijdens het aangaan van de zakelijke relatie, indien dit noodzakelijk is om de dienstverlening niet te verstoren en indien er weinig risico op witwassen of financieren van terrorisme bestaat. In dat geval verifieert de instelling de identiteit zo spoedig mogelijk na het eerste contact met de clint. |
| 3. | In afwijking van het eerste en tweede lid is het een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 5, toegestaan de begunstigde van een polis te identificeren en de identiteit te verifiren nadat de zakelijke relatie is aangegaan. In dat geval vindt het identificeren en het verifiren van de identiteit plaats op of voor het tijdstip van uitbetaling, dan wel op of voor het tijdstip waarop de begunstigde zijn rechten krachtens de polis wil uitoefenen. |
| 4. | In afwijking van het eerste en tweede lid is het een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, toegestaan een rekening te openen voordat de verificatie van de identiteit van de clint heeft plaatsgevonden, indien zij waarborgt dat deze rekening niet kan worden gebruikt voordat de verificatie heeft plaatsgevonden. |
| 5. | In afwijking van het eerste en tweede lid kan een notaris of kandidaat-notaris als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 12, de identiteit van de clint en, indien van toepassing, van de uiteindelijk belanghebbende verifiren op het moment dat identificatie op grond van artikel 39 van de Wet op het notarisambt is vereist. |
Artikel 5
| 1. | Het is een instelling verboden een zakelijke relatie aan te gaan of een transactie uit te voeren, indien zij geen clintenonderzoek heeft verricht als bedoeld in artikel 3 of indien het clintenonderzoek niet heeft geleid tot het in artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdelen a, b en c, bedoelde resultaat. Indien de instelling reeds een zakelijke relatie met de clint heeft en de instelling niet kan voldoen aan het bepaalde in artikel 3, eerste en tweede lid, aanhef en onderdelen a, b, en c, beindigt de instelling de desbetreffende zakelijke relatie. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op de gevallen als bedoeld in de artikelen 6 en 7. |
| 3. | Het is een bank verboden een correspondentbankrelatie aan te gaan of voort te zetten met een shellbank of met een bank waarvan bekend is dat deze een shellbank toestaat van haar rekeningen gebruik te maken. |
2.2. Vereenvoudigd clintenonderzoek
Artikel 6
| 1. | Artikel 3, eerste lid, derde lid, aanhef en onderdelen a, b en d, en vierde lid, en artikel 4, eerste lid, zijn niet van toepassing ten aanzien van de volgende clinten:
|
| 2. | Een instelling verzamelt voldoende gegevens om te kunnen vaststellen of het eerste lid op een clint van toepassing is. |
| 3. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorien clinten worden aangewezen waarop het eerste lid van overeenkomstige toepassing is. |
| 4. | Onze Minister van Financin wijst de staten aan als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. |
Artikel 7
| 1. | Artikel 3, eerste lid, derde lid, aanhef en onderdelen a, b en d, en vierde lid, alsmede artikel 4, eerste lid, zijn niet van toepassing voor zover het betreft zakelijke relaties of transacties met betrekking tot:
|
| 2. | Een instelling verzamelt voldoende gegevens om te kunnen vaststellen of het eerste lid op een product van toepassing is. |
| 3. | Bij algemene maatregel van bestuur kunnen producten of transacties worden aangewezen waarop het eerste lid van overeenkomstige toepassing is. |
2.3. Verscherpt clintenonderzoek
Artikel 8
| 1. | Een instelling verricht, onverminderd artikel 3, tweede, derde en vierde lid, aanvullend clintenonderzoek indien en naar gelang een zakelijke relatie of transactie naar haar aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorien zakelijke relaties en transacties worden aangewezen die naar hun aard een hoger risico op witwassen of financieren van terrorisme met zich brengen. |
| 2. | Onverminderd het eerste lid neemt een instelling, indien een clint niet fysiek aanwezig is voor identificatie, maatregelen om het hogere risico te compenseren. De instelling kan aan de vorige volzin voldoen indien zij:
|
| 3. | Onverminderd het eerste lid draagt een bank die een correspondentbankrelatie aangaat of is aangegaan met een bank in een staat die geen lidstaat is er zorg voor dat:
|
| 4. | Een instelling draagt er zorg voor dat zij over op risico gebaseerde procedures beschikt om te bepalen of de clint een politiek prominent persoon is die niet in Nederland woont. Onverminderd het eerste lid draagt een instelling die een zakelijke relatie aangaat met of een transactie verricht voor een politiek prominente persoon die niet in Nederland woont, er tevens zorg voor dat:
|
2.4. Introduceren van clinten en uitbesteding van identificatie
Artikel 9
| 1. | Artikel 5, eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van clinten die zijn gedentificeerd en waarvan de identiteit reeds is geverifieerd, ingevolge artikel 3 of op daarmee overeenkomende wijze, door:
|
| 2. | Een instelling als bedoeld in het eerste lid stelt, op verzoek van de instelling waar zij een clint introduceert, de identificatie- en verificatiegegevens en overige gegevens en bescheiden inzake de identiteit van de clint of de uiteindelijk belanghebbende ter beschikking aan die instelling. |
Artikel 10
| 1. | Een instelling kan het clintenonderzoek, bedoeld in artikel 3, eerste lid, voor zover het betrekking heeft op het in het tweede lid, onderdelen a, b, en c, van dat artikel bepaalde, laten verrichten door een derde, onverminderd haar verplichting om te voldoen aan het in die onderdelen bepaalde. |
| 2. | Indien de in het eerste lid bedoelde uitbesteding een structureel karakter heeft legt de instelling de opdracht daartoe schriftelijk vast. |
2.5. Documenten die voor de verificatie van de identiteit gebruikt kunnen worden
Artikel 11
| 1. | Indien de clint een natuurlijke persoon is, wordt diens identiteit geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Bij ministerile regeling kunnen documenten, gegevens of inlichtingen worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan het in de vorige zin bepaalde. |
| 2. | Indien de clint een rechtspersoon is opgericht naar Nederlands recht en in Nederland zijn zetel heeft of een buitenlandse rechtspersoon is die in Nederland is gevestigd, wordt diens identiteit geverifieerd aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron. Bij ministerile regeling kunnen documenten, gegevens of inlichtingen worden aangewezen op basis waarvan kan worden voldaan aan het in de vorige zin bepaalde. |
| 3. | Indien de clint een buitenlandse rechtspersoon is die niet in Nederland is gevestigd, wordt de identiteit geverifieerd op basis van betrouwbare en in het internationale verkeer gebruikelijke documenten, gegevens of inlichtingen of op basis van documenten, gegevens of inlichtingen die bij wet als geldig middel voor identificatie zijn erkend in de staat van herkomst van de clint. |
| 4. | Bij ministerile regeling kunnen regels worden vastgesteld met betrekking tot het verifiren van de identiteit van clinten die niet onder het eerste tot en met het derde lid vallen. |
Hoofdstuk 3. Bepalingen betreffende het melden van ongebruikelijke transacties
3.1. Het meldpunt
Artikel 12
| 1. | Er is een Meldpunt ongebruikelijke transacties. |
| 2. | Het Meldpunt ongebruikelijke transacties is de verantwoordelijke autoriteit als bedoeld in de Verordening nr. 2006/1781/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler. |
| 3. | De algemene leiding, de organisatie en het beheer van het meldpunt berusten bij Onze Minister van Justitie. |
| 4. | Benoeming, schorsing en ontslag van het hoofd van het meldpunt geschieden bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Justitie, in overeenstemming met Onze Minister van Financin. |
| 5. | Onze Minister van Justitie bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financin de begroting van het meldpunt. |
Artikel 13
Het meldpunt heeft met het oog op het voorkomen en opsporen van witwassen en financieren van terrorisme tot taak:
| a. | het verzamelen, registreren, bewerken en analyseren van de gegevens die het verkrijgt, teneinde te bezien of deze gegevens van belang kunnen zijn voor het voorkomen en opsporen van misdrijven; | ||||||||
| b. | het verstrekken van persoonsgegevens en andere gegevens in overeenstemming met deze wet en het bij of krachtens de Wet politiegegevens bepaalde; | ||||||||
| c. | de instelling die overeenkomstig artikel 16 een melding heeft gedaan, berichten over de afdoening van de melding; | ||||||||
| d. | het verrichten van onderzoek naar ontwikkelingen op het gebied van witwassen en financieren van terrorisme en naar de verbetering van de methoden om witwassen en financieren van terrorisme te voorkomen en op te sporen; | ||||||||
| e. | het geven van aanbevelingen voor de bedrijfstakken omtrent de invoering van passende procedures voor interne controle en communicatie en andere te treffen maatregelen tot voorkoming van het gebruik van die bedrijfstakken voor witwassen en financieren van terrorisme; | ||||||||
| f. | het geven van voorlichting omtrent het voorkomen en opsporen van witwassen en financieren van terrorisme aan:
| ||||||||
| g. | het geven van inlichtingen aangaande het meldgedrag van de instellingen aan de personen die krachtens artikel 24 met het toezicht op de naleving van deze wet zijn belast; | ||||||||
| h. | het onderhouden van contacten met buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt; | ||||||||
| i. | het jaarlijks uitbrengen van een verslag met betrekking tot de taakuitoefening en zijn werkzaamheden in het voorafgaande jaar en van zijn voornemens voor het komende jaar, dat wordt aangeboden aan Onze Minister van Justitie en ter kennis gebracht van Onze Minister van Financin. |
Artikel 14
| 1. | Bij het meldpunt kunnen persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van de taak, bedoeld in artikel 13. |
| 2. | Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de categorien van personen waarover het meldpunt gegevens verwerkt, de gegevensverstrekking, de bewaring en vernietiging van gegevens en de protocolplicht. |
| 3. | Op de verwerking van persoonsgegevens door het meldpunt zijn de artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede lid, 4, 5, 6, 7, 15, 16, eerste lid, onderdelen a, b en c, 17, 18, 22 en 23, 25 tot en met 31, alsmede artikel 33 van de Wet politiegegevens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor het meldpunt als verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel f, van die wet wordt aangemerkt Onze Minister van Justitie. |
3.2. De Meldingsplicht
Artikel 15
| 1. | Bij algemene maatregel van bestuur worden, zo nodig per daarbij te onderscheiden categorien transacties, indicatoren vastgesteld aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een transactie wordt aangemerkt als een ongebruikelijke transactie. |
| 2. | Indien het spoedeisende belang dat vereist, kunnen bij regeling van Onze Minister van Financin en Onze Minister van Justitie gezamenlijk de indicatoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld voor een termijn van ten hoogste zes maanden. |
Artikel 16
| 1. | Een instelling meldt een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend is geworden, aan het meldpunt. |
| 2. | Bij een melding als bedoeld in het eerste lid verstrekt de instelling de volgende gegevens:
|
Artikel 17
| 1. | Het meldpunt kan bij de instelling die een melding heeft gedaan, alsmede bij de instelling die bij een transactie is betrokken waarover het meldpunt gegevens heeft verzameld, nadere gegevens of inlichtingen vragen, teneinde te kunnen beoordelen of verzamelde gegevens dienen te worden verstrekt op grond van zijn taak bedoeld in artikel 13, onderdeel b. |
| 2. | De instelling waaraan overeenkomstig het eerste lid deze gegevens of inlichtingen zijn gevraagd, verstrekt deze schriftelijk, alsmede in spoedeisende gevallen mondeling, aan het meldpunt binnen de door het meldpunt gestelde termijn. |
Artikel 18
Het meldpunt bepaalt de wijze waarop een melding moet worden gedaan, of gegevens of inlichtingen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, moeten worden verstrekt.
3.3. Vrijwaring
Artikel 19
| 1. | Gegevens of inlichtingen die in overeenstemming met de artikelen 16 of 17 zijn verstrekt, kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens witwassen of financieren van terrorisme door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt. |
| 2. | Gegevens of inlichtingen die zijn verstrekt in de redelijke veronderstelling dat uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 16 of 17 kunnen niet dienen als grondslag voor of ten behoeve van een opsporingsonderzoek of een vervolging wegens verdenking van, of als bewijs ter zake van een tenlastelegging wegens, overtreding van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht door de instelling die deze gegevens of inlichtingen heeft verstrekt. |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van personen die werkzaam zijn voor een instelling die gegevens of inlichtingen heeft verstrekt als omschreven in het eerste of tweede lid en die daaraan hebben meegewerkt. |
Artikel 20
De instelling die tot een melding op de voet van artikel 16 is overgegaan, is niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan.
3.4. De Commissie inzake de meldingsplicht ongebruikelijke transacties
Artikel 21
| 1. | Er is een Commissie inzake de meldingsplicht van ongebruikelijke transacties. |
| 2. | De commissie treedt periodiek in overleg met vertegenwoordigers van Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Financin over:
|
| 3. | Bij ministerile regeling worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling en de organisatie van de commissie. |
3.5. Geheimhouding
Artikel 22
Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze wet zijn verstrekt of ontvangen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze wet wordt geist.
Artikel 23
| 1. | Een instelling die ingevolge artikel 16 een melding heeft gedaan of die ingevolge artikel 17 nadere informatie heeft verstrekt, is verplicht tot geheimhouding hiervan, alsmede van het gegeven dat deze melding of verstrekking aanleiding kan geven tot nader onderzoek, behoudens voor zover uit deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit. |
| 2. | De instelling die ingevolge artikel 13, onderdeel c, gegevens of inlichtingen verkrijgt, is verplicht tot geheimhouding daarvan. |
| 3. | De in het eerste lid bedoelde geheimhoudingsplicht is niet van toepassing op een mededeling gedaan door een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 11, 12 en 13, aan een clint met als doel deze te doen afzien van een onwettige handeling. |
| 4. | Een instelling kan, in afwijking van het eerste lid, mededelingen doen aan:
|
Hoofdstuk 4. Bepalingen betreffende toezicht en handhaving
Artikel 24
| 1. | Bij besluit van Onze Minister van Financin en Onze Minister van Justitie gezamenlijk kunnen personen worden aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving door de instellingen van deze wet. |
| 2. | De personen die op grond van het eerste lid belast zijn met het toezicht op de instellingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 10 tot en met 15, kunnen het toezicht op een risicogeorinteerde wijze uitoefenen. |
| 3. | De Nederlandsche Bank N.V. is belast met het toezicht op de naleving van de Verordening nr. 2006/1781/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler. |
| 4. | Ten aanzien van personen die op grond van het eerste lid belast zijn met het toezicht op de naleving van de artikelen, genoemd in het eerste en derde lid, zijn de bepalingen van hoofdstuk 5, afdeling 5.2, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing. |
| 5. | Van een besluit tot aanwijzing op grond van het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. |
| 6. | Bij ministerile regeling kunnen banken die deel uitmaken van een groep banken die op 15 december 1977 blijvend was aangesloten bij een centrale kredietinstelling die controle uitoefent op de bedrijfsvoering en uitbesteding van die banken worden vrijgesteld van het toezicht door de Nederlandsche Bank N.V. op de naleving van deze wet, indien de centrale kredietinstelling toezicht houdt op die groep banken en in voldoende mate bevoegd is voor de naleving van deze wet noodzakelijke instructies te geven aan die banken. Aan deze vrijstelling kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. |
Artikel 25
Indien de personen die met wettelijk toezicht op instellingen zijn belast bij de uitoefening van hun taak feiten ontdekken die kunnen duiden op witwassen of financieren van terrorisme, lichten zij, zo nodig in afwijking van de toepasselijke wettelijke geheimhoudingsbepalingen, het meldpunt in.
Artikel 26
| 1. | Onze Minister van Financin kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 2, 3, eerste tot en met derde en zevende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste en derde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, 10, tweede lid, 11, 16, 17, tweede lid, 23 eerste en tweede lid, 33, 34 en 35 van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU L 345). |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van degene die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening, onderworpen is aan tuchtrechtspraak. |
Artikel 27
| 1. | Onze Minister van Financin kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van overtreding van de artikelen 2, 3, eerste tot en met derde en zevende lid, 4, eerste lid, tweede lid, tweede volzin, derde lid, tweede volzin, en vierde lid, 5, eerste en derde lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 8, 10, tweede lid, 11, 16, eerste en tweede lid, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33, 34, en 35 van deze wet, artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2006/1781 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 november 2006 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie over de betaler (PbEU L 345). |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van degene die, in geval van bezwaren tegen diens handelen of nalaten in de beroepsuitoefening, onderworpen is aan tuchtrechtspraak. |
Artikel 28a
Degene jegens wie Onze Minister van Financin een handeling heeft verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat deze hem wegens een overtreding een bestuurlijke boete zal opleggen, is niet verplicht ter zake daarvan enige inlichting te verstrekken. Hij wordt hiervan door Onze Minister van Financin in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie met betrekking tot de desbetreffende overtreding wordt gevraagd.
Artikel 28b
| 1. | Indien Onze Minister van Financin voornemens is een bestuurlijke boete op te leggen, geeft hij de betrokkene daarvan kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. |
| 2. | In afwijking van afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht, stelt Onze Minister van Financin de betrokkene in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze naar voren te brengen voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd. |
Artikel 28c
| 1. | Onze Minister van Financin legt de bestuurlijke boete op bij beschikking. |
| 2. | De beschikking vermeldt in ieder geval:
|
Artikel 28d
| 1. | De bestuurlijke boete wordt betaald binnen zes weken na de inwerkingtreding van de beschikking waarbij zij is opgelegd. |
| 2. | De bestuurlijke boete wordt vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop sedert de bekendmaking van de beschikking zes weken zijn verstreken. |
| 3. | Indien de bestuurlijke boete niet tijdig is betaald, stuurt Onze Minister van Financin schriftelijk een aanmaning om binnen twee weken de boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging dat de bestuurlijke boete, voor zover deze niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het vierde lid zal worden ingevorderd. |
| 4. | Bij gebreke van tijdige betaling kan Onze Minister van Financin de bestuurlijke boete, verhoogd met de kosten van de aanmaning en van de invordering, bij dwangbevel invorderen. |
| 5. | Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. |
| 6. | Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat. |
| 7. | Het verzet schorst de tenuitvoerlegging niet, tenzij de voorzieningenrechter van de rechtbank in kort geding desgevraagd anders beslist. |
| 8. | Het verzet kan niet worden gegrond op de stelling dat de bestuurlijke boete ten onrechte of op een te hoog bedrag is vastgesteld. |
Artikel 28e
| 1. | De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt indien ter zake van de overtreding op grond waarvan de boete kan worden opgelegd, tegen de overtreder een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. |
| 2. | Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een overtreding van de artikelen genoemd in artikel 27 vervalt, indien Onze Minister van Financin ter zake van die overtreding reeds een boete heeft opgelegd. |
Artikel 28f
| 1. | De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan. |
| 2. | De termijn bedoeld in het eerste lid wordt gestuit door de bekendmaking van de beschikking waarbij een bestuurlijke boete wordt opgelegd. |
Artikel 28g
De werkzaamheden in verband met het opleggen van een dwangsom of van een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgegane onderzoek.
Artikel 29
Onze Minister van Financin kan de bestuurlijke boete invorderen bij dwangbevel.
Artikel 30
In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroep tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.
Artikel 31
| 1. | De bevoegdheden die Onze Minister van Financin op grond van dit hoofdstuk heeft, kunnen bij algemene maatregel van bestuur worden overgedragen aan personen die ingevolge artikel 24, eerste lid, zijn aangewezen. Alsdan gelden de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk jegens Onze Minister van Financin als verplichtingen jegens de desbetreffende persoon. |
| 2. | Aan de overdracht, bedoeld in het eerste lid, kunnen beperkingen worden gesteld en voorschriften worden verbonden. |
Artikel 32
Indien een instelling niet voldoet aan haar verplichtingen ingevolge artikel 16 of 17, tweede lid, kan de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon door middel van het geven van een aanwijzing de instelling verplichten binnen een door de op grond van artikel 24, eerste lid, aangewezen persoon gestelde termijn een bepaalde gedragslijn te volgen aangaande:
| a. | de ontwikkeling van interne procedures en controles ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme; en |
| b. | de opleiding van werknemers als bedoeld in artikel 35. |
Hoofdstuk 5. Bepalingen met betrekking tot het bewaren van bewijsstukken en training
5.1. Gegevens met betrekking tot clintenonderzoek
Artikel 33
| 1. | Een instelling die op grond van deze wet de clint of zakelijke relatie heeft gedentificeerd en zijn identiteit heeft geverifieerd, legt op toegankelijke wijze de volgende gegevens vast:
|
| 2. | Een instelling bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens op toegankelijke wijze gedurende vijf jaar na het tijdstip van het beindigen van de zakelijke relatie of tot vijf jaar na het uitvoeren van de desbetreffende transactie. |
5.2. Gegevens met betrekking tot een ongebruikelijke transactie
Artikel 34
Een instelling bewaart de gegevens, bedoeld in artikel 16, tweede lid, op toegankelijke wijze gedurende vijf jaar na het tijdstip van het doen van de melding.
Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 36
De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling van een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1, welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar.
Artikel 37
Een ontheffing die is verleend op grond van artikel 2, zesde lid, van de Wet identificatie bij dienstverlening, berust vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op artikel 3, zevende lid.
Artikel 38
| 1. | Artikel 3, eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van clinten die reeds op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening zijn gedentificeerd of ten aanzien van wie geen verplichting tot identificatie op grond van die wet was vereist. |
| 2. | Gegevens van de in het eerste lid bedoelde personen die reeds op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening zijn vastgelegd, worden geacht te zijn vastgelegd ingevolge deze wet. |
Artikel 39
Een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet was opgelegd ter zake van overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens de Wet identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke transacties, wordt aangemerkt als een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 26 onderscheidenlijk 27.
Artikel 40
Op bezwaar of beroep, ingesteld vr het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet tegen een besluit op grond van de Wet identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke transacties, blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 41
| 1. | De personen die op grond van artikel 24, eerste lid, zijn belast met het toezicht op de naleving van deze wet, kunnen na inwerkingtreding van deze wet tot drie jaren na de dag waarop de overtreding is begaan een bestuurlijke boete opleggen terzake van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens de Wet identificatie bij dienstverlening of de Wet melding ongebruikelijke transacties. |
| 2. | Op een bestuurlijke boete als bedoeld in het eerste lid blijft het recht van toepassing dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet. |
Artikel 42
Een aanwijzing die is gegeven op grond van artikel 17u van de Wet melding ongebruikelijke transacties, wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aangemerkt als een aanwijzing als bedoeld in artikel 32.
Artikel 43
[Wijzigt de Wet inzake de geldtransactiekantoren.]
Artikel 44
[Wijzigt de Wet op de economische delicten.]
Artikel 45
[Wijzigt de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.]
Artikel 46
[Wijzigt de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek.]
Artikel 47
[Wijzigt de Wet toezicht trustkantoren.]
Artikel 48
[Wijzigt de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.]
Artikel 48a
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 48b
[Wijzigt de Algemene wet inzake rijksbelastingen.]
Artikel 48c
[Wijzigt de Invorderingswet 1990.]
Artikel 48d
[Wijzigt de Wet op de loonbelasting 1964.]
Artikel 48e
[Wijzigt de Arbeidsomstandighedenwet.]
Artikel 48f
[Wijzigt de Wet arbeid vreemdelingen.]
Artikel 49
De Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties worden ingetrokken.
Artikel 50
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 51
Deze wet wordt aangehaald als: Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden,
Beatrix
De Minister van Financin a.i. ,
De Minister van Justitie ,
De Minister van Justitie ,
Bijlage als bedoeld in artikel 28 van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme
Categorie-indeling
| 1. | Voor de instellingen die onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme vallen geldt de volgende categorie-indeling:
| ||||||||||||
| 2. | Indien de gegevens omtrent het balanstotaal, het eigen vermogen, de opbrengst of de omzet niet aan Onze Minister beschikbaar zijn gesteld, kan Onze Minister aan degene aan wie de boete wordt opgelegd, verzoeken deze gegevens binnen een door hem te stellen termijn te verstrekken. Indien de betrokkene niet binnen de gestelde termijn voldoet aan dit verzoek, is bij de vaststelling van de hoogte van de boete categorie V van toepassing. |




