MKB Marktplaats
Wijzigingswet Wet op het basisonderwijs en ISOVSO inzake vereenvoudiging Londo
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben dat het wenselijk is de regelgeving inzake de bekostiging van het basisonderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs te vereenvoudigen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS
[Wijzigt de Wet op het basisonderwijs.]
ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS
[Wijzigt de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.]
ARTIKEL III. OVERGANGSBEPALING VERGOEDINGEN
- 1.
- Voor zover toepassing is gegeven aan artikel 96, vijfde lid, van de
Wet op het basisonderwijs
onderscheidenlijk artikel 93, vijfde lid, van de
Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet
speciaal onderwijs, zoals deze
artikelen luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze
wet:
- a.
- vindt de vergoeding waarop tot die dag aanspraak bestaat, plaats overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 100, derde lid, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 97, derde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals deze luidden op die dag, en
- b.
- dient het bevoegd gezag dat de vergoeding krachtens het onder a bepaalde ontvangt, de met die vergoeding samenhangende verplichtingen te voldoen.
- 2.
- Indien in het geval, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, de vergoeding voor de kosten van de materile instandhouding waarop de programma's van eisen, bedoeld in artikel 93, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 90, eerste lid, onderdeel a, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, betrekking hebben, door het Rijk is verstrekt aan het bevoegd gezag dat geen eigenaar is van een schoolgebouw, draagt dat bevoegd gezag die vergoeding, onder aftrek van de reeds bestede gelden en voor zover die vergoeding niet op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 96, vierde lid, van de Wet op het basisonderwijs onderscheidenlijk artikel 93, vierde lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs bij dat bevoegd gezag dient te blijven, binnen 3 maanden na de inwerkingtreding van deze wet over aan de eigenaar van het schoolgebouw.
ARTIKEL IV. OVERGANGSBEPALING BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN
In afwijking van het bepaalde in artikel 135, derde lid onderdeel b, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 129, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra, en artikel 244, derde lid, onderdeel b, van de Wet op het voortgezet onderwijs wijst Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen het verzoek tot 1 januari van het derde jaar volgend op de inwerkingtreding van deze wet, af indien de bijzondere omstandigheden niet het gevolg zijn van een aanmerkelijke afwijking van de omvang van de componenten van de voorziening ten aanzien waarvan de bijzondere omstandigheden zouden bestaan.
ARTIKEL V. GEWENNINGSREGELING
| 1. | Indien de rijksvergoeding voor de kosten van de materile instandhouding ten behoeve van de scholen van een bevoegd gezag waarop voor het jaar waarin deze wet in werking treedt, aanspraak zou bestaan, 3% of meer lager, onderscheidenlijk 3% of meer hoger is dan de rijksvergoeding waarop voor dat jaar aanspraak zou bestaan op grond van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs alsmede de op die wetten gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, zoals deze wetten en besluiten luidden voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet, wordt de rijksvergoeding
|
| 2. | Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van:
|
| 3. | Voor een school als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, geldt met betrekking tot het derde lid, onderdeel c, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in plaats van het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het jaar waarin deze wet in werking treedt: het gemiddelde van de hoogste dagtellingen volgens het register, bedoeld in artikel 93c, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs in elk van de maanden september van het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarover de vergoeding plaatsvindt, tot en met april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop deze wet in werking treedt. |
| 4. | De onderdelen b en c van het eerste lid vinden geen toepassing indien zonder die onderdelen geen rijksvergoeding voor de in die onderdelen bedoelde jaren aan het bevoegd gezag zou worden toegekend. |
| 5. | Bij de toepassing van het eerste lid worden buiten beschouwing gelaten:
|
ARTIKEL VA. VERLENGDE GEWENNINGSREGELING
| 1. | Het bevoegd gezag van een of meer scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs komt na afloop van de gewenningsregeling, bedoeld in artikel V, in aanmerking voor een aanvulling op de rijksvergoeding voor de kosten van materile instandhouding, indien:
|
| 2. | De hoogte van de aanvulling op de rijksvergoeding voor het betrokken bevoegd gezag wordt als volgt berekend:
|
| 3. | Voor iedere school van het bevoegd gezag die op de peildatum 1 oktober 1996 volgens bij ministerile regeling vast te stellen criteria ten hoogste vier groepen leegstand had, onderscheidenlijk, voor wat betreft een school als bedoeld in de op de genoemde peildatum geldende Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, ten hoogste een bij ministerile regeling vast te stellen aantal vierkante meters leegstand had, wordt een bedrag in mindering gebracht op de aanvulling op de rijksvergoeding zoals berekend op grond van het tweede lid. Bij ministerile regeling worden regels gesteld omtrent de wijze waarop dit bedrag wordt berekend, rekening houdend met de mate van leegstand. |
| 4. | Het aantal vierkante meters, bedoeld in de eerste volzin van het derde lid, en de regels, bedoeld in de tweede volzin van het derde lid, kunnen voor de verschillende soorten scholen verschillend worden vastgesteld. |
| 5. | De aanvulling op de rijksvergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt als bedrag ineens aan het bevoegd gezag uitgekeerd. |
| 6. | De aanvulling op de rijksvergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag, na overleg met de gemeente over de wijze van besteding, uitsluitend aangewend voor materile instandhouding of voor voorzieningen in de huisvesting. |
ARTIKEL VB. OVERGANGSREGELING VERGOEDING VOOR MATERILE INSTANDHOUDING BIJ INSTELLINGEN IN DE JAREN 1997, 1998 EN 1999
Met betrekking tot de vergoeding op grond van artikel XII van de wet van 31 mei 1995, houdende wijziging van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en van enkele andere wetten inzake samenvoeging van de schoolsoorten onderwijs aan blinde kinderen en onderwijs aan slechtziende kinderen tot de schoolsoort onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen (Stb. 1995, 319) wordt nagegaan op welk bedrag een instelling in het jaar 1997 recht zou hebben indien in dat jaar op de instelling de artikelen 89 tot en met 92, 93, 97 en 98 van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs, zoals luidend met ingang van 1 januari 1997, van toepassing zouden zijn. Indien dit bedrag hoger is dan het bedrag waarop de instelling op grond van voornoemd artikel XII recht zou hebben bij ongewijzigde toepassing van artikel XII, wordt voor het jaar 1997 het hogere bedrag vergoed en wordt dit hogere bedrag als basis genomen voor de aanpassing van de vergoeding als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel XII ten behoeve van de jaren 1998 en 1999.
ARTIKEL VI. WIJZIGING TIJDELIJKE WET BEKOSTIGING NIEUWE BASISSCHOLEN
[Wijzigt de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen.]
ARTIKEL VII. VASTSTELLING PROGRAMMA'S VAN EISEN TEN BEHOEVE VAN HET JAAR WAARIN DEZE WET IN WERKING TREEDT
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen stelt de programma's van eisen, bedoeld in de Wet op het basisonderwijs en in de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs zoals deze wetten luiden na de inwerkingtreding van deze wet, vast voor 1 oktober van het jaar voorafgaande aan het in artikel XI, aanhef, bedoelde jaar.
ARTIKEL VIII. WIJZIGING IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS INZAKE DE OVERBOEKING VAN NIET BESTEDE VERGOEDINGEN EN WIJZIGING VAN DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS INZAKE DE OVERBOEKING VAN NIET BESTEDE VERGOEDINGEN EN HET VERVALLEN VAN DE VERPLICHTE PAUZE
[Wijzigt de Wet op het basisonderwijs en de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.]
ARTIKEL IX. WIJZIGINGEN IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS, DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS, ALSMEDE DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS IN VERBAND MET DE DECENTRALISATIE VAN DE HUISVESTINGSVOORZIENINGEN
[Wijzigt deze wet.]
ARTIKEL X. WIJZIGINGEN IN VERBAND MET HET VOORSTEL VAN WET TOT WIJZIGING VAN DE WET OP HET BASISONDERWIJS, DE INTERIMWET OP HET SPECIAAL ONDERWIJS EN HET VOORTGEZET SPECIAAL ONDERWIJS, ALSMEDE DE WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS IN VERBAND MET DE DECENTRALISATIE VAN DE HUISVESTINGSVOORZIENINGEN
[Wijzigt deze wet.]
ARTIKEL XI. INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari van een bij koninklijk besluit te bepalen jaar, met dien verstande dat
- a.
- artikel I, voor zover het betreft artikel 101, vijfde lid, en artikel II, voor zover het betreft artikel 98, vijfde lid, in werking treden met ingang van de tweede dag na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, van die artikelen, en
- b.
- artikel VII in werking treedt met ingang van 1 september van het jaar voorafgaande aan het in de aanhef bedoelde jaar.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Beatrix
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
De Minister van Justitie,




