MKB Marktplaats
Tracwet
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter verzekering van doelmatige procedures voor de totstandkoming en van de tijdige tenuitvoerlegging van besluiten met betrekking tot de aanleg of wijziging van hoofdwegen, van landelijke railwegen en van hoofdvaarwegen wenselijk is regels te stellen voor de voorbereiding, vaststelling en tenuitvoerlegging van zodanige besluiten, deze regels te doen aansluiten bij het bepaalde bij en krachtens de Wet milieubeheer (Stb. 1992, 551) inzake het milieu-effectrapport zomede de cordinatie bij de toepassing van die regels met de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1985, 626) te verzekeren;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen
Artikel 1
| 1. | In deze wet wordt verstaan onder:
|
| 2. | Ontheffingen, dispensaties, afwijkingen en soortgelijke beschikkingen worden voor de toepassing van deze wet als vergunning aangemerkt. |
| 3. | In deze wet wordt onder aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg mede verstaan de aanleg of wijziging van een deel van die hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg. |
Artikel 2
| 1. | Deze wet is van toepassing op:
|
| 2. | Een beslissing om de procedure ten aanzien van de aanleg of wijziging van een hoofdweg of hoofdvaarweg of de medewerking aan de aanleg of wijziging van een landelijke spoorweg aan te vangen, wordt genomen door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. |
| 3. | In de beslissing, bedoeld in het tweede lid, wordt ten aanzien van de projecten, genoemd in het eerste lid, onder b tot en met e, aangegeven of het ontwerp-tracbesluit, bedoeld in artikel 11, en het tracbesluit, bedoeld in artikel 15, worden vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dan wel door Onze Minister. |
Hoofdstuk II. Trajectnota en standpunt
Artikel 2a
Hoofdstuk II is alleen van toepassing op besluitvorming omtrent een project als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a.
Artikel 3
| 1. | Onze Minister stelt een trajectnota op ter voorbereiding van het standpunt, bedoeld in artikel 9, en het tracbesluit, bedoeld in artikel 15. |
| 2. | Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de raden van de gemeenten, de provinciale staten van de provincies en de besturen van de regionale openbare lichamen en waterschappen op het gebied waarvan de trajectnota redelijkerwijs betrekking kan hebben dan wel betrekking heeft. |
| 3. | Onze Minister geeft kennis van zijn voornemen om een trajectnota op te stellen met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Deze kennisgeving geschiedt gelijktijdig met de kennisgeving, die is voorgeschreven in artikel 7.13, tweede lid, van de Wet milieubeheer. |
| 4. | De terinzagelegging van het voornemen geschiedt ten kantore van de betrokken bestuursorganen. |
| 5. | Onze Minister stelt een ieder in de gelegenheid naar keuze schriftelijk of mondeling zijn zienswijze omtrent het voornemen naar voren te brengen. |
| 6. | Onze Minister bereidt de trajectnota voor gelijktijdig en in samenhang met de voorbereiding van het milieu-effectrapport, als voorgeschreven bij of krachtens de Wet milieubeheer. |
| 7. | Een trajectnota als bedoeld in dit hoofdstuk wordt voor de toepassing van de artikelen 7.30, eerste lid, en 7.32 van de Wet milieubeheer gelijkgesteld met een voorontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 7.27, eerste lid, van laatstbedoelde wet. |
Artikel 4
| 1. | Een trajectnota bevat ten minste de volgende onderdelen:
|
| 2. | Bij de toepassing van het eerste lid onder a wordt gebruik gemaakt van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:50 000. |
| 3. | Bij de toepassing van het eerste lid onder e wordt ter voldoening aan artikel 1, eerste lid onder h, onder 1 gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:10 000 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:50 000. |
Artikel 5
Indien de trajectnota betrekking heeft op het trac van een landelijke spoorweg, betrekt Onze Minister de beheerder van de spoorweg bij de voorbereiding daarvan. Deze verleent de in verband daarmee nodige medewerking aan het opstellen van de trajectnota.
Artikel 6
- 1.
- Onze Minister voert ter voorbereiding van de trajectnota met de betrokken bestuursorganen overleg over de opzet van de nota ten aanzien van het verkeers- en vervoertraject als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder a , en de te behandelen alternatieven en varianten als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder d en e .
- 2.
- Onze Minister voert met de betrokken bestuursorganen voorts overleg bij de verdere voorbereiding van de trajectnota.
Artikel 7
- 1.
- Onze Minister geeft kennis van de trajectnota met overeenkomstige toepassing van artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht.
- 2.
- De artikelen 3:11, 3:14, 3:15, eerste lid, 3:16 en 3:17 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het ontwerp van het te nemen besluit en het ontwerp wordt gelezen: de trajectnota. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.
Artikel 8
- 1.
- Binnen een door Onze Minister te bepalen termijn van ten
hoogste vier maanden na de dag waarop de trajectnota ter
inzage is gelegd, geven de betrokken bestuursorganen in een
met redenen omkleed advies ten minste aan:
- a.
- welke van de in de trajectnota behandelde alternatieven en varianten naar hun oordeel passen in hun ruimtelijk beleid;
- b.
- welke van die alternatieven en varianten naar hun oordeel de voorkeur verdienen;
- c.
- of en zo ja, tegen welke van die alternatieven en varianten zij bedenkingen hebben.
- 2.
- Indien de betrokken bestuursorganen binnen de gestelde termijn geen advies hebben uitgebracht stemmen zij in met de volledigheid van de in de trajectnota behandelde alternatieven en varianten.
Artikel 9
| 1. | Onze Minister bepaalt binnen acht weken na het verstrijken van de ingevolge artikel 8, eerste lid, bepaalde termijn, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zijn standpunt met betrekking tot de aanleg van de hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg of de medewerking aan de aanleg van de landelijke spoorweg. Het standpunt houdt in dat hij de aanleg van het in de eerste volzin bedoelde werk of de medewerking daaraan al dan niet verder in overweging neemt. |
| 2. | Indien de trajectnota betrekking heeft op het trac van een landelijke spoorweg, voert Onze Minister overleg over het door hem te bepalen standpunt met de beheerder van de spoorweg. |
| 3. | Onze Minister deelt het standpunt onder opgave van redenen schriftelijk mee aan de betrokken bestuursorganen en, indien de trajectnota betrekking heeft op het trac van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. |
| 4. | Binnen een week na de mededeling, bedoeld in het derde lid, legt Onze Minister het standpunt ter inzage. Artikel 3, vierde lid, van deze wet en artikel 3:11, derde en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. |
Artikel 10
| 1. | Indien het standpunt van Onze Minister inhoudt dat hij de aanleg van de hoofdweg, hoofdvaarweg of landelijke spoorweg of de medewerking aan de aanleg van de landelijke spoorweg verder in overweging neemt, houdt het standpunt tevens in welk trac de voorkeur verdient. |
| 2. | In geval van toepassing van het eerste lid wordt binnen zes maanden na het uitbrengen van het standpunt een ontwerp-tracbesluit vastgesteld. |
Hoofdstuk III. Tracbesluit
Artikel 11
| 1. | Het ontwerp-tracbesluit wordt vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer dan wel door Onze Minister. |
| 2. | Het ontwerp-tracbesluit bevat ten minste:
|
| 3. | Bij het ontwerp-tracbesluit wordt ter voldoening aan artikel 1, eerste lid, onder h, onder 1, gebruik gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van ten minste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van ten minste 1:20 000. |
Artikel 12
| 1. | Onze Minister zendt het ontwerp-tracbesluit aan de betrokken bestuursorganen en, indien het ontwerp-tracbesluit betrekking heeft op het trac van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. |
| 2. | Onze Minister zendt het ontwerp-tracbesluit, indien het hogere waarden bevat voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i of 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder, voorts aan:
|
| 3. | Op de voorbereiding van het tracbesluit is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Bij de voorbereiding betrekt Onze Minister de raden van de gemeenten, de provinciale staten van de provincies en de besturen van waterschappen op het gebied waarvan het te nemen tracbesluit betrekking heeft. De terinzagelegging geschiedt tevens ten kantore van de betrokken bestuursorganen. Zienswijzen kunnen naar voren worden gebracht door een ieder. |
| 4. | In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, kan Onze Minister, indien de omvang van het ontwerp-tracbesluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met eenieder van de in het tweede lid, onder a, bedoelde personen de strekking van het ontwerp-tracbesluit mee te delen en de onderdelen van het ontwerp-tracbesluit die voor de betrokkene redelijkerwijs van belang zijn, toe te zenden. |
Artikel 13 [Vervallen per 30-11-2005]
Artikel 14 [Vervallen per 30-11-2005]
Artikel 14a [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 15
| 1. | Het tracbesluit wordt binnen vijf maanden na de terinzagelegging van het ontwerp-tracbesluit vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, dan wel door Onze Minister. De artikelen 9, tweede lid, en 11, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | Een beslissing tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting in zones ingevolge de artikelen artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder met betrekking tot het gebied dat is begrepen in een tracbesluit, maakt deel uit van het tracbesluit. |
| 3. | Voor het gebied dat is begrepen in een tracbesluit geldt het tracbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening. Voor de bij het tracbesluit behorende zone, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder onderscheidenlijk de zone, bedoeld in artikel 106b van die wet, geldt dat tracbesluit als voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 3.7 van de Wet ruimtelijke ordening, met dien verstande dat dit slechts geldt met betrekking tot geprojecteerde woningen en andere geprojecteerde geluidsgevoelige objecten ten aanzien waarvan de geluidsbelasting vanwege de hoofdweg of de landelijke spoorweg of vanwege binnen de zone van die hoofdweg of landelijke spoorweg gelegen wegen of spoorwegen de waarden die ingevolge de artikelen 87e tot en met 87i en 106d tot en met 106h van de Wet geluidhinder als ten hoogst toelaatbare waarden worden aangemerkt, te boven zal gaan. Voor zover het tracbesluit geldt als voorbereidingsbesluit, is artikel 3.7, vijfde en zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening niet van toepassing. Het tracbesluit geldt niet meer als voorbereidingsbesluit indien voor het in de eerste volzin bedoelde gebied en de in de tweede volzin bedoelde zone een bestemmingsplan in overeenstemming met het tracbesluit van kracht is geworden. |
| 4. | Onder een geprojecteerde woning of een ander geprojecteerd geluidsgevoelig object als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid wordt verstaan een nog niet aanwezige woning of ander geluidsgevoelig object waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de bouwvergunning toelaat, maar deze nog niet is afgegeven. |
| 5. | Artikel 50 van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het tracbesluit. |
| 6. | Voor zover het tracbesluit en het bestemmingsplan of de beheersverordening niet met elkaar in overeenstemming zijn, geldt het tracbesluit als projectbesluit als bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening onderscheidenlijk als een besluit als bedoeld in artikel 3.42 van die wet. |
| 7. | Voor zover een bestemmingsplan, een beheersverordening of een ander besluit voor de uitvoering van werken of werkzaamheden een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 3.3, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening vereist, geldt zodanige eis niet voor de uitvoering van werken of werkzaamheden ter uitvoering van het tracbesluit in het gebied dat is begrepen in een tracbesluit. |
| 8. | In afwijking van artikel 3.29, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad binnen een jaar nadat het tracbesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan overeenkomstig het tracbesluit vast. Artikel 3.13, derde lid, van die wet is van overeenkomstige toepassing. |
| 9. | Indien het bestemmingsplan nog niet in overeenstemming is met het tracbesluit, verleent het college van burgemeester en wethouders aan degenen die inzage verlangen in dat plan tevens inzage in het tracbesluit. |
Artikel 16
| 1. | Onze Minister zendt het tracbesluit aan de betrokken bestuursorganen en, indien het tracbesluit betrekking heeft op het trac van een landelijke spoorweg, aan de beheerder van de spoorweg. |
| 2. | Bij de bekendmaking van het tracbesluit worden de motivering en de toelichting op het trac vermeld. |
| 3. | De terinzagelegging geschiedt tevens ten kantore van de betrokken bestuursorganen. |
Hoofdstuk IV. Projectuitvoering
Artikel 17 [Vervallen per 15-10-2000]
Artikel 18
Indien de aanleg of wijziging van een hoofdweg, landelijke spoorweg of hoofdvaarweg niet is opgenomen in een jaarlijks voortschrijdend meerjarig uitvoeringsprogramma voor hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen, dat bij besluit van Onze Minister is vastgesteld voor het derde jaar na het jaar waarin het tracbesluit van kracht is geworden, vervalt het tracbesluit van rechtswege. Het tracbesluit vervalt eveneens van rechtswege indien het niet binnen tien jaar na het tijdstip waarop het onherroepelijk is geworden in uitvoering is genomen.
Artikel 19 [Vervallen per 15-10-2000]
Artikel 20
| 1. | [Vervallen.] . |
| 2. | Onze Minister bevordert een gecordineerde voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een tracbesluit. |
| 3. | Onze Minister kan van de andere betrokken bestuursorganen de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de cordinatie nodig is. Die bestuursorganen verlenen de van hen gevorderde medewerking. |
| 4. | Op de voorbereiding van de in het tweede lid bedoelde besluiten is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:
|
| 5. | Artikel 46, eerste lid, van de Woningwet is niet van toepassing op aanvragen om een bouwvergunning ter uitvoering van het tracbesluit. |
| 6. | Indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist, kunnen Onze Minister en Onze Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien Onze in de eerste volzin bedoelde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen. |
| 7. | Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op de in het tweede lid bedoelde ambtshalve te nemen besluiten. |
| 8. | Indien bij de toepassing van het zesde lid de beslissing op een aanvraag wordt genomen door Onze in dat lid bedoelde Ministers, stort het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd was te beslissen op de aanvraag, de ter zake ontvangen leges in 's Rijks kas. |
| 9. | Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde aanvragen is Onze Minister mede bevoegd deze in te dienen bij de bevoegde bestuursorganen. |
| 10. | De in het tweede lid bedoelde besluiten worden, voor zover ten aanzien daarvan het vierde lid is toegepast, gelijktijdig door Onze Minister bekendgemaakt. |
| 11. | Voor zover een ontwerp van een besluit als bedoeld in het tweede lid, zijn grondslag vindt in een tracbesluit, kunnen bedenkingen daarop geen betrekking hebben. |
Artikel 20a
- 1.
- De in artikel 2 bedoelde werken worden voor de toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbare werken van algemeen nut.
- 2.
- Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in artikel
20, tweede lid, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk
is:
- a.
- kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in afwijking van artikel
2, vierde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:
- 1.
- een andere plaats of gemeente aanwijzen waar de zitting plaatsvindt;
- 2.
- bepalen dat de zitting wordt geleid door een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen persoon;
- b.
- worden in afwijking van de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht gedeputeerde staten niet gehoord;
- c.
- geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht
dat:
- 1.
- tegen een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet een belanghebbende beroep kan instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
- 2.
- artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is;
- 3.
- de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.
Artikel 20b
De in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het tracbesluit is vastgesteld.
Artikel 20c
- 1.
- Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet kan het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers worden ingeschreven dan nadat het tracbesluit onherroepelijk is geworden.
- 2.
- In aanvulling op de artikelen 54n en 59 van de onteigeningswet is ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde inschrijving een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de Secretaris van de Raad van State nodig, waaruit blijkt dat het tracbesluit onherroepelijk is geworden.
Artikel 20d
| 1. | Indien een belanghebbende ten gevolge van een tracbesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd, kent Onze Minister hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. |
| 2. | Afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening blijft buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid. |
| 3. | Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. |
Hoofdstuk V [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 21 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 22 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 23 [Vervallen per 15-10-2000]
Artikel 24 [Vervallen per 15-10-2000]
Artikel 25 [Vervallen per 01-07-2008]
Hoofdstuk VA. Beroep
Artikel 25a
| 1. | Tegen een tracbesluit of een ander in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. |
| 2. | In afwijking van artikel 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de in artikel 20, tweede lid, bedoelde besluiten aan met ingang van de dag na die waarop de in artikel 20, tiende lid, bedoelde bekendmaking is geschied. |
Artikel 25b
- 1.
- Met betrekking tot beroepen tegen een tracbesluit beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twaalf maanden na ontvangst van een verweerschrift.
- 2.
- In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.
- 3.
- Met betrekking tot beroepen tegen de in artikel 20, tweede lid, bedoelde besluiten beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van de desbetreffende verweerschriften.
Artikel 25c
Indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, kunnen bij dit beroep geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een tracbesluit waarop dat besluit rust.
Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 26
- 1.
- Deze wet blijft buiten toepassing ten aanzien van besluiten van Onze Minister tot vaststelling van een trac voor de aanleg of wijziging van hoofdwegen, landelijke spoorwegen en hoofdvaarwegen die vr de inwerkingtreding van deze wet zijn genomen, voor zover deze besluiten vr 1 januari 1997 worden opgenomen in een uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 18, eerste lid. In het laatste geval vervalt het besluit indien het niet binnen tien jaar na eerste opneming in het uitvoeringsprogramma ten uitvoer wordt gebracht.
- 2.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in dat lid die binnen een jaar na inwerkingtreding van deze wet zijn genomen alsmede op door Onze Ministers aan te wijzen besluiten die binnen twee jaar na inwerkingtreding van deze wet zijn genomen.
- 3.
- Het tweede lid geldt niet voor besluiten ter uitvoering van planologische kernbeslissingen als bedoeld in artikel 28.
- 4.
- Artikel 18 is van overeenkomstige toepassing op besluiten als bedoeld in het tweede lid.
Artikel 27
Trajectnota's die na inwerkingtreding van deze wet worden vastgesteld maar geheel of gedeeltelijk vr de inwerkingtreding van deze wet zijn voorbereid worden aangemerkt als trajectnota's in de zin van deze wet indien deze voorbereiding is geschied overeenkomstig de eisen die de Tracwet aan de voorbereiding van trajectnota's stelt.
Artikel 28 [Vervallen per 01-07-2008]
Artikel 28a
Onze Minister zendt de Staten-Generaal ieder half jaar een verslag over de voortgang van de projecten, waarvoor een beslissing is genomen als bedoeld in artikel 2, tweede lid.
Artikel 29
Onze Ministers zenden binnen drie jaar na het in werking treden van deze wet, en vervolgens telkens om de vijf jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop zij is toegepast.
Artikel 30
[Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]
Artikel 31 [Vervallen per 19-01-1994]
Artikel 32
[Wijzigt deze wet.]
Artikel 33
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 34
Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad brengt Onze Minister de in deze wet voorkomende aanhalingen van artikelen en afdelingen van de Algemene wet bestuursrecht in overeenstemming met de door Onze Minister van Justitie opnieuw vastgestelde nummering daarvan.
Artikel 35
Deze wet kan worden aangehaald als: Tracwet.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Beatrix




