MKB Marktplaats
Aantal flexwerkers stijgt
DEN HAAG - In 2007 had een op de elf werknemers uit de werkzame beroepsbevolking een flexibele arbeidsrelatie. Dit zijn 575 duizend werknemers. Sinds 2004 stijgt het aandeel flexwerkers weer, na een aantal jaren gedaald te zijn. Het hoge niveau van eind jaren negentig is echter nog niet bereikt. Flexwerk bestaat vooral uit uitzendwerk, inval- en oproepkrachten en vakantiebanen van jongeren.
Vrouwen hebben traditioneel vaker een flexibele arbeidsrelatie dan mannen. De verschillen zijn echter de afgelopen tien jaar sterk verminderd. Dat komt doordat tussen 1998 en 2003 vooral het aandeel vrouwelijke flexwerkers sterk is gedaald. Onder mannen daalde het aandeel flexwerkers ook, maar veel minder sterk. Na 2003 is het aandeel flexwerkers onder vrouwen en mannen in gelijk mate gestegen.
De daling en de huidige stijging van het aandeel flexwerkers is voor een belangrijk deel conjunctureel bepaald. Daarnaast speelde de veranderde wetgeving een rol: in 1999 is de Wet flexibiliteit en zekerheid (Flexwet) en in 2000 de Wet aanpassing arbeidsduur gentroduceerd. In deze laatste wet is het recht op deeltijdarbeid vastgelegd. Dat betekent voor vrouwen dat zij na de geboorte van hun eerste kind kunnen blijven werken, zij het voor minder uren. Zij behouden dus hun vaste arbeidscontract. In het verleden stopten vrouwen vaak tijdelijk met werken. Wanneer zij later weer aan de slag gingen, was dat meestal eerst in een flexibel dienstverband.
Onder jongeren is het aandeel flexwerkers het grootst.
Een op de drie werknemers van 15 tot 25 jaar heeft een flexibel arbeidscontract. Dit zijn vaak scholieren of studenten die een bijbaantje hebben. Verder hebben laagopgeleide werknemers vaker een flexibele arbeidsrelatie dan hoogopgeleide werknemers. Ten slotte komt flexwerken meer voor onder de niet-westerse allochtonen dan onder autochtonen.
Het seizoenspatroon in flexibel werk is volledig toe te schrijven aan jongeren tussen de 15 en 25 jaar. Dit zijn veelal scholieren en studenten die vaak een bijbaantje hebben in de zomermaanden. Naarmate flexwerkers ouder zijn, is er van seizoensinvloeden bijna geen sprake meer.
Bron: CBS
Vrouwen hebben traditioneel vaker een flexibele arbeidsrelatie dan mannen. De verschillen zijn echter de afgelopen tien jaar sterk verminderd. Dat komt doordat tussen 1998 en 2003 vooral het aandeel vrouwelijke flexwerkers sterk is gedaald. Onder mannen daalde het aandeel flexwerkers ook, maar veel minder sterk. Na 2003 is het aandeel flexwerkers onder vrouwen en mannen in gelijk mate gestegen.
De daling en de huidige stijging van het aandeel flexwerkers is voor een belangrijk deel conjunctureel bepaald. Daarnaast speelde de veranderde wetgeving een rol: in 1999 is de Wet flexibiliteit en zekerheid (Flexwet) en in 2000 de Wet aanpassing arbeidsduur gentroduceerd. In deze laatste wet is het recht op deeltijdarbeid vastgelegd. Dat betekent voor vrouwen dat zij na de geboorte van hun eerste kind kunnen blijven werken, zij het voor minder uren. Zij behouden dus hun vaste arbeidscontract. In het verleden stopten vrouwen vaak tijdelijk met werken. Wanneer zij later weer aan de slag gingen, was dat meestal eerst in een flexibel dienstverband.
Onder jongeren is het aandeel flexwerkers het grootst.
Een op de drie werknemers van 15 tot 25 jaar heeft een flexibel arbeidscontract. Dit zijn vaak scholieren of studenten die een bijbaantje hebben. Verder hebben laagopgeleide werknemers vaker een flexibele arbeidsrelatie dan hoogopgeleide werknemers. Ten slotte komt flexwerken meer voor onder de niet-westerse allochtonen dan onder autochtonen.
Het seizoenspatroon in flexibel werk is volledig toe te schrijven aan jongeren tussen de 15 en 25 jaar. Dit zijn veelal scholieren en studenten die vaak een bijbaantje hebben in de zomermaanden. Naarmate flexwerkers ouder zijn, is er van seizoensinvloeden bijna geen sprake meer.
Bron: CBS



