MKB Marktplaats
Effect -Werken aan Winst- op vaste activa: minder werk en minder belastingen?
In het vorige artikel is aangegeven dat met de nieuwe wet ´Werken aan Winst´
het VPB-tarief voor BV´s en NV´s per 1 januari 2007 is gedaald tot 25,5%.
Betekent dit nu ook dat u ook minder belastingen gaat betalen? En betekent de
kreet ´Werken aan Winst´ ook een daling van administratieve lasten? In sommige
gevallen moet op beide vragen ontkennend geantwoord worden.
In dit artikel zal Accountant en Financieel Manager bij de Martinus Groep, Drs.
M. Bevers, belichten welke effecten wetswijzigingen op de fiscale waardering van
onroerend goed en andere vaste activa. Daarnaast wordt ingegaan op de gevolgen
op de commercile jaarrekening.
Andere bodemgrens onroerend goed
Tot 2006 werd onroerend goed veelal lineair afgeschreven tot de restwaarde van
het onroerend goed. Met ingang van 2007 mag nog slechts afgeschreven worden tot
de zogenaamde bodemwaarde. Als deze bodemwaarde bereikt is, mag geen
afschrijving meer in aftrek van de winst gebracht worden. De hoogte van deze
bodemwaarde is afhankelijk van het gebruik van het onroerend goed.
| Soort onroerend goed | Criterium |
Bodemwaarde |
| Belegging | >70% (in)direct ter beschikking gesteld aan niet verbonden
persoon/lichaam |
100% WOZ-waarde |
| Eigen gebruik | Overig | 50% WOZ-waarde |
Stel een gebouw is aangeschaft voor E1.000.000. Afschrijving vindt plaats in 20
jaar. De WOZ-waarde is E950.000. Als het gebouw gekwalificeerd is als een
beleggingsvastgoed, is de bodemgrens 100% van de WOZ-waarde. Dit betekent dat
tot de bodemgrens van E950.000 mag worden afgeschreven.
Als het gebouw is gekwalificeerd voor eigen gebruik, bedraagt de bodemgrens E475.000 (50% van E950.000). In dit geval kan gedurende 10 ½ jaar afschrijvingen ten laste van het resultaat gebracht worden, mits de WOZ-waarde gelijk is gebleven. Deze veronderstelling is niet realistisch, dus de kans dat gedurende 10 jaar fiscale afschrijvingen plaatsvinden is erg klein.
Gevolgen voor de jaarrekening
Het jaarrekeningrecht kent een dergelijke bodemwaarde (nog) niet. Dit betekent dat er verschillen gaan ontstaan tussen de jaarrekening en de vpb-aangifte. Commercieel (volgens de jaarrekening) mag nog wel afgeschreven worden tot restwaarde, fiscaal dus niet. Als gevolg hiervan is het commercile resultaat niet gelijk aan het fiscale resultaat.
Verslaggevingsregels schrijven voor dat in dit geval een belastinglatentie wordt gevormd in de jaarrekening, omdat de fiscale boekwaarde van onroerend goed afwijkt van de commercile boekwaarde. Er ontstaat een latente belastingvordering. Mocht het gebouw in de toekomst verkocht worden, dan hoeft fiscaal minder afgerekend te worden dan in de oude situatie (tot 2006), omdat het verschil tussen verkoopprijs en fiscale boekwaarde lager is.
Uitgaande van de cijfers in bovengenoemd voorbeeld bedraagt de belastinglatentie in jaar 1 nihil, omdat commercieel en fiscaal nog gelijkt loopt. In jaar 2 bedraagt de latente belastingvordering 25,5% (belastingtarief) van E50.000, zijnde E12.750. In jaar 3 bedraagt het verschil reeds E100.000, en derhalve de latentie 25,5% hiervan, zijnde E25.500.
In balansvorm worden de verschillen als volgt weergegeven (in jaar 2)
Oude situatie (tot 2006)
Gebouwen 950.000 - Eigen vermogen 950.000
Nieuwe situatie (vanaf 2007)
Gebouwen 950.000 Eigen vermogen 950.000
Latente
Belastingvordering 12.750 Belastingschuld 12.750
De belastingschuld in jaar 2 is gestegen met E12.750, de latente vordering ook met E12.750, omdat in de toekomst voor hetzelfde bedrag minder belastingen hoeft te worden afgedragen bij de verkoop, omdat verschil tussen verkoopprijs en boekwaarde kleiner is.
In het voorbeeld is uitgegaan van het tarief van 25,5%. Hierbij is voorbijgegaan aan het feit dat de latente vordering eigenlijk tegen contante waarde gewaardeerd moet worden, omdat een gebouw veelal voor lange termijn is aangeschaft en daarom rekening moet worden gehouden met rente.
Overige bedrijfsmiddelen
Niet alleen afschrijving op vastgoed is beperkt geworden, ook die van andere bedrijfsmiddelen (zoals inventaris, auto´s, computers e.d.). Op deze activa moet fiscaal worden afgeschreven met een minimumperiode van vijf jaren. In de jaarrekening wordt dit soort activa veelal afgeschreven in drie of vier jaren. Ook door deze maatregel wordt de grondslag voor de belastingberekening verhoogd. En ook hier ontstaan de belastinglatenties zoals hiervoor beschreven.
Minder belastingen? Afhankelijk van de omvang van de onroerend goed en bedrijfsmiddelen ja of nee. Vastgoedbeleggers gaan de eerste jaren zeker meer betalen, pas bij verkoop van een onroerend goed, zal de afdracht minder zijn.
Minder werk? Absoluut niet. Er zullen twee afschrijvingsstaten opgesteld moeten worden, n voor de jaarrekening en n voor de fiscus. Op basis van de verschillen in waardering zal een belastinglatentie ontstaan en opgenomen moeten worden in de jaarrekening. Daarnaast is ook nog een aantal overgangsregelingen getroffen voor reeds aangeschafte activa.
Geschreven door: Drs. Marco J. Bevers, Martinus Groep




